Mr. Johnson

Vrijdagnacht kwamen we aan in Delhi. We werden van Delhi airport opgehaald door Kawal en Mukul, de Indiase Unit Production Manager en 1st Assistant Director die ons ook al in Rajasthan bij de realisering van episode 2 van BARDONGS, het scenario van de Plastic Collector, terzijde gestaan hadden.

Zij brachten ons naar het Habitat hotel, onderdeel van het grote, ruimtelijke en rustige Habitat Internationaal Cultuur Centrum. Daar konden we in alle rust voorbereiden, aan elkaar wennen en relaxen alvorens de grote oversteek per auto naar Leh te maken.

Het Habitat gebouw is inderdaad indrukwekkend en rustgevend, maar het moet gezegd dat de hotelkamers daarbij vergeleken wat saai, houterig en benauwd waren. (Mocht u overwegen ook eens een weekendje in Delhi door te brengen, houdt daar rekening mee.)

Die zaterdag sliepen we vooral uit – volgens ons Nederlandse ritme was het immers nog steeds zo’n drie-eneenhalf uur vroeger -, wandelden op onszelf wat rond en hadden een soort van voor-pre-productie-overleg met Kawal en Mukul.

We forceerden ons die avond ondanks het tijdsverschil vroeg naar bed te gaan want die volgende ochtend om zes uur, half drie Nederlandse tijd dus, zou een geoefende en ervaren chauffeur het terrein van Habitat oprijden om Sander Francken, Karin S. de Boer en mijzelf in drie dagen naar Leh te brengen.

Waarom gingen we ook alweer met de auto en niet met het vliegtuig?

Welnu.

De geleidelijke stijging van deze auto op zijn weg naar het op 3500 meter hoogte gelegen Leh zou dus, zo was de bedoeling,de verschijnselen van hoogteziekte onderdrukken.

De eerste dag van ons drie-daagse avontuur was prachtig. Nadat we Delhi waren uitgereden, werd het landschap steeds heuvel- en bergachtiger.

Groen, afwisselend, aantrekkelijk en nog tameljk onschuldig.

Ondanks wel degelijk enkele ruige stukken Himalya waar we doorheen reden, als voorbodes van wat komen ging, had ik niet het idee dat dit het meedogenloze gebergte was waar veel mensen ons voor gewaarschuwd hadden.

Toen we na zo’n 10 uur rijden in de buurt van de Indiase bergsportplaats Manali kwamen, moest ik zelfs af en toe aan de vredige Alpen denken. In de aan de overkant van de rivier die ons begeleidde netjes tegen de bergwand opgestapelde licht-kleurige huisjes herkende ik af en toe stukjes Luzern, koblenz en Grenoble. En zelfs moest ik een keer denken aan de huizenrij aan de rivier die je ziet als je Arnhem binnenrijdt. Maar dat kwam waarschijnlijk vooral omdat ik daar de laatste tijd vaak geweest ben i.v.m. de documentaire over adhd die we daar gedeeltelijk gedraaid hebben.

Aangekomen in het lokaal-toeristische centrumpje van Manali namen we ons intrek in het ruim opgezette, enigszins aan een groot chalet doen denkende ‘Johnson resort, opgericht in 1920’.

Altijd tot de verbeelding sprekend, vind ik, historische familie-verhalen.

Johnson diende jarenlang als arts in het Engelse leger in het huidige Pakistan. Zijn vrouw kon niet wennen aan het klimaat, de toendertijd extreem grote afstand tot haar familie – slechts uit te drukken in jaarreizen – en de Indiase gewoontes. Zij keerde terug naar Engeland en liet Johnson alleen achter.

Toen Johnson op leeftijd gekomen was, verliet hij het leger en kocht een stukje grond in het toen al als oase in het Himalaya gebergte bekend staande Manali. Daar stichtte hij een soort herberg voor berggangers, avonturiers, missionarissen en handelslui. Hij beheerde de herberg na verloop van tijd samen met zijn meer dan 60 jaar jongere Indiase vrouw, die hij in Manali leerde kennen. Naar zeggen trouwde zij vooral met hem om het geld, er daarbij vanuit gaande dat door de meer dan 85-jarige man geen nakomelingen meer geproduceerd konden worden.

Zij vergiste zich.

Hun zoon bouwde de herberg uit tot het hotel-bar-restaurant resort wat het nu is.

Dit alles werd ons verteld door de kleindochter van de stichter; ook diens zoon, haar vader dus, trouwde een Indiase, wat zeker in die tijd toch vrij uitzonderlijk was, nog steeds wel eigenlijk, en kreeg twee zonen en een dochter.

Op een of andere manier maakte de Johnson’s kleindochter geen gelukkige indruk op mij, staande in de weelderig hoteltuin en af en toe wat instructies roepend naar twee werklui die bezig waren een soort van BBQ te bouwen. Alsof ze tussen twee werelden was ingevallen; alsof de reis van een paar jaar die haar opa van Engeland scheidde ook voor haar nog voelbaar was, terwijl ze zich tegelijkertijd duidelijk ook totaal niet met de Indiër kon identificeren.

Ik had geen tijd om hier lang bij stil te staan want we moesten verder. Verder en vooral hoger.

Nog twee dagreizen, waarvan ik vooral de tweede nooit meer vergeten zal, scheidden ons nog van Leh, hoofdstad van Ladakh.

Sander Francken en chauffeur

Sander Francken en chauffeur